|
De avond werd opgebouwd aan de hand van een trio stellingen. De eerste hiervan peilde naar de mate waarin de studierichting in het secundair onderwijs de eigen keuze van de leerling was. De antwoorden liepen (niet verwonderlijk) behoorlijk uiteen. De ene deelnemer wist al op zijn tiende wat hij wou worden, terwijl de andere bijvoorbeeld ASO ging volgen op advies van leerkrachten en ouders. Die laatste zien dit vooral als een noodzakelijke ‘algemene vorming’, zonder er altijd bij stil te staan of het echt de ideale keuze is voor de jongere. Uiteraard waren er ook voorbeelden van mensen die hun vrienden volgden en pas in een later leerjaar een definitieve keuze maakten.
Uit de voorbeelden bleek dat de overgang van het basisonderwijs naar het middelbaar niet evident is, omwille van een verschil in schoolcultuur. Enkel in scholen waar beide systemen aanwezig zijn, is dit blijkbaar minder het geval. Ook de overgang van één algemene leerkracht naar meerdere vakleerkrachten is niet altijd eenvoudig. Enerzijds kan dit er gemakkelijker voor zorgen dat je met bepaalde leraars een klik heb op vlak van leerstijl, anderzijds creëren meer leerkrachten meer organisatorische chaos.
Wil men meteen de goede keuze van studierichting maken, is het bovendien van belang de ouders mee in het bad te sleuren, door bijvoorbeeld aan opendeurdagen deel te nemen. Wanneer de ouders zelf geen school hebben gevolgd, is het vaak zo dat broers of zussen die rol overnemen. Bij de keuze van studierichting speelt de omgeving kortom meer dan een louter adviserende rol.
De tweede stelling ging ervan uit dat er reeds vanaf de eerste graad van het middelbaar onderwijs een hiërarchie wordt gecreëerd tussen de leerlingen: sommige klassen zijn ‘slimmer’, andere ‘trager’. Het voorbeeld werd aangehaald van vroegere scholen waarin er letterlijk een lijn op de speelplaats was getekend tussen ASO en TSO. De meesten vonden nochtans dat de hiërarchie pas vanaf het derde jaar ontstaat. Bovendien is de wissel van de 1A-stroom naar de 1B-stroom courant, maar het omgekeerde niet. Een enkeling vond ook dat de hiërarchie net ontstaat door het systeem van punten geven. Eén deelnemer, die geen reguliere schoolopleiding volgde maar naar een Steinerschool ging, vond dat dit systeem meer uitgaat van de sterktes van alle leerlingen, of dat nu gaat om wiskunde, taal, dans of houtbewerking. Cruciaal was ook, vonden de jongeren, dat bij veel ouders nog een bepaald beeld leeft van verschillende opleidingen. Iemand wiens moeder psychiater is en die menswetenschappen gaat studeren wordt bijvoorbeeld anders bekeken dan iemand die in de voetsporen van zijn bakker-vader treedt.
De groep meende dat de keuze van een studierichting vooral gebaseerd moet zijn op de interesse van de leerlingen. Hoewel het natuurlijk altijd slim is om ook rekening te houden met de vraag van de maatschappij. Ook mag het niet zo zijn dat het altijd een zelfde type leerling is dat uit de boot valt. Dat houdt eveneens in dat er tussen scholen onderling minder verschil moet zijn. Als goed voorbeeld werd een scholengemeenschap uit Herentals aangehaald, die de diverse scholen in de stad in één associatie bundelde. Dit ging gepaard met een gelijkschakeling van het imago van de scholen, waarmee ze vooropliepen op wat ook de Commissie Monard wil bereiken. Helaas zijn er ook slechtere voorbeelden, zoals een scholengemeenschap in het Antwerpse die ‘probleemkinderen’ systematisch naar dezelfde school doorschuift.
Wordt er in Vlaanderen eigenlijk rekening gehouden met de leerling bij de overstap naar het middelbaar onderwijs? Zoals eerder al aangehaald speelt vooral de omgeving een rol. De ouders proberen immers een zo goed moegelijke inschatting te maken van de mogelijkheden van hun kind op basis van de informatie die ze krijgen van scholen, leerkrachten en CLB’s. Dit maakt duidelijk dat de informering goed moet gebeuren, in open gesprekken die bij voorbaat niet van vooroordelen of aannames uitgaan. Op dat vlak is het essentieel dat ook de leerling zelf mee is met het verhaal. Spijtig genoeg zijn zij nog te weinig bekend met de zorg- en GOK coördinator of de leerlingenbegeleider, vonden de deelnemers.
Misschien wordt het ook tijd dat het (grootstedelijk) onderwijs zich aanpast aan de veranderende demografie? Dat is misschien wat straf gesteld, klonk het bij de aanwezigen, maar het onderwijs kan wel beter gebruik maken van haar pedagogische vrijheid. Door bijvoorbeeld interculturaliteit een belangrijke plaats te geven in de lessen. Daarvoor hoef je dus geen eindtermen te veranderen: enkel een visie- en mentaliteitsverandering is vereist. Dezelfde leerstof wordt dus idealiter door verschillende brillen bekeken. Een goed voorbeeld vonden de aanwezigen de nood aan een vak religie, waarin àlle gezindten aan bod komen i.p.v. hier in hokjes over te denken in diverse vakken.
Deze sessie van het onderwijstraject leverde kortom weer heel wat nieuwe inzichten op over de richting die het onderwijs de komende jaren kan en moet uitgaan. De opmerkingen van de deelnemers worden meegenomen in de voorstellen die Minderhedenforum.NET en de Vlaamse Jeugdraad aan de Commissie Monard wil presenteren. Indien geleerd wordt van de ervaringen van de mensen van het Jongerennetwerk, komen we zo hopelijk snel een stap dichter bij een beter, intercultureler secundair onderwijs.
Hakim Benichou, stafmedewerker Minderhedenforum.NET
|