|
De avond werd op gang geschoten met een toelichting van cijfers van de OESO waaruit bleek dat Vlaanderen globaal gezien wel uitstekende onderwijscijfers kan voorleggen, maar dat het met de schoolkansen van etnisch-culturele minderheden pover gesteld is. Op basis van deze conclusie werd er in de loop van de avond doorgeboomd over hoe de veranderde strcutuur, het uitstel van studiekeuze en studiebekwaamheid hier een efficiënt antwoord op kunnen geven.
Uit de groep kwam de opmerking dat de plannen van de Commissie Monard meer rekening moeten houden met de stedelijke context. In steden ligt het aantal kansarmen immers hoger. Brussel telt zelfs 6000 jongeren die in geen enkele school staan ingeschreven, wist Sanghmitra Bhutani. Een deelnemer, Mohamed, vond dat we moesten oppassen om problemen rond gelijke kansen in het onderwijs verkeerd te definiëren. De OESO verwijst immers vooral naar sociaal-economische factoren als reden van achterstand, maar voert geen mogelijk oplossingen aan. Bovendien zijn er momenteel geen duidelijke indicatoren voor het meten van etnische afkomst. Is dit misschien en bewuste strategie die een discriminerend gezicht moet verbergen, werd door een enkeling geopperd. Enkel wanneer men duidelijke inzichten in socio-economische achtergrond, taal en afkomst heeft, kan men verklaringen (en daarmee oplossingen) voor de achterstand van leerlingen formuleren.
Misschien ligt de reden van de achterstand wel bij de ouders? Gedeeltelijk zou dat kunnen, vond de groep, maar het kan onmogelijk de enige verklaring zijn. In scholen is er bijvoorbeeld te weinig begeleiding aanwezig voor kinderen met een achterstand, terwijl in de lerarenopleiding te weinig aandacht gaat naar het leren omgaan met de interculturele realiteit. Dit leidt er soms toe dat gekwalificeerde leerkrachten moeilijk gevonden worden. Ook de oriëntering door de CLB's kon op wat kritiek rekenen bij de deelnemers aan de rondetafel. Zij moeten eveneens op een competente manier leren omgaan met diversiteit.
Een ander heikel punt bleek huiswerk. Het feit dat dit vaak gequoteerd wordt en meetelt voor de studieresultaten van een leerling, zorgt ervoor dat jongeren die wel hulp kunnen krijgen van ouders of oudere broers/zussen bij hun taken een voordeel hebben tegenover kansarme jongeren, die soms op minder hulp kunnen rekenen. Schaf daarom huiswerk beter af, vonden sommigen. Of behoud het, maar vervang de quotering door een grondige feedback op het geleverde werk, met opvolging van de evolutie van de leerling.
In het algemeen kon de ganse groep zich scharen achter de opmerking dat een hervorming van het secundair onderwijs maar zin heeft als men ook nadenkt over de invulling van het basisonderwijs. Daarbij zit men wel met het typisch Vlaamse probleem van de onderwijsnetten. 70 procent van de scholen behort nu tot het vrije net, dat wel overheidssubsidie krijgt maar het eigen pedagogisch project redelijk vrij mag invullen. Dit is gebaseerd op een 50 jaar oude sociale realiteit die nu niet meer bestaat. Men moet een nieuw systeem dus aanpassen aan de maatschappij van vandaag.
Hierbij mag men zeker niet vergeten om ook alle betrokkenen te consulteren. Bijvoorbeeld over de vraag of we momenteel een inclusief onderwijs of een exclusief onderwijs kennen in Vlaanderen. Het is essentieel dat die vraag beantwoord wordt vóór een hervorming. Zo kan men voorkomen dat een nieuwe structuur teveel op de oude lijkt en daardoor de knelpunten nauwelijks remedieert. Bovendien moeten leerlingen zich kunnen herkennen in het nieuwe model, wat betekent dat de structuur nauw moet aansluiten bij een missie van begeleiding en ontwikkeling, op evenwichtige en persoonlijke basis. Interculturaliseren kan daarbij een belangrijke rol spelen.
Daarnaast werden op de avond nog opmerkingen gegeven over hoe de nieuwe structuur (die moeilijk is en breed gaat) voor frustraties kan leiden op vlak van haalbaarheid. Ouders en leerlingen betrekt men dus best nauw bij het uitvoeren van de nieuwe strcutuur. Zowel de Vlaamse Studentenkoepel als de Vlaamse Jeugdraad pleiten hiervoor. Bij vermelding van het beoogde schakelprogramma kwam naar boven dat iedere leerling op zijn/haar niveau naar het secundair onderwijs moet kunnen doorstromen en dat het schakelprogramma moet focussen op de leerling i.p.v. het systeem. Vergelijkingen met Finland, waar de sociale mix in scholen erg goed scoort, werden enigszins sceptisch bekeken. Finland heeft immers minder kansarmen, terwijl de Belgische staatsstructuur een hoop institutionele problemen creëert, waardoor een vergelijking tussen de twee systemen moeilijk wordt.
Concreet willen de deelnemers van de rondetafel een aantal aanbevelingen en vragen meegeven aan de Commissie Monard.
Qua Structuur:
- Zitten we met een inclusief of een exclusief systeem?
- Hoe passen we de sociale realiteit toe in het systeem?
- De participatie in de onderwijs moet stijgen. De vraag is hoe dit zal gebeuren.
- Er moet ruimte zijn voor interculturaliseren in zowel het curriculum als bij de CLB's en in de lerarenopleidingen.
- Hoe gaan we om met de verschillen tussen het onderwijs van de Nederlandse en Franse gemeenschap?
Qua keuzes:
- Is het niet beter eerst te streven naar motivaties van leerlingen, alvorens keuzes te maken?
- Er moet rekening gehouden worden met verschillende keuzes die leerlingen maken in hun puberteit: men mag zeker niet gaan trancheren. Een gefaseerde keuze is een goede optie.
- Er moet meer aandacht zijn voor "Methodes de proximité", die aangepast zijn aan de leefwereld van de jongeren, bijvoorbeeld peer groepsgesprekken.
Hakim Benichou, stafmedewerker Minderhedenforum.NET
|