|
Onderstaande bemerkingen werden onderschreven door de volgende federaties
- Federatie van Marokkaanse Verenigingen (FMV)
- Platform van de Afrikaanse gemeenschappen (AP)
- De Unie van Turkse Verenigingen (UTV)
- Federatie van Engelssprekende Afrikanen in België (FAAB)
1. De overwegingen en doelstellingen bij het ontwerp van voorstel van het Antwerpse experiment
De overwegingen en doelstellingen in dit voorstel blijven vaag en onduidelijk en maken de communicatie hierover met de achterban niet eenvoudig. Zo lezen we ondermeer in de overwegingen dat: ‘Eensgezindheid over het feit dat wachtrijen een ongewenst fenomeen zijn.’ Dit is terecht een decretale doelstelling van het experiment. Verder lezen we: ‘De segregatie tegengaan blijft een doelstelling. Maar dat is een ruimer maatschappelijk probleem en dat kan zeker niet alleen via dit soort experimenten gerealiseerd worden. In elk geval moet voorkomen worden dat de inschrijvingsprocedure de segregatie zou versterken’
Andere belangrijke doelstellingen van het GOK-decreet komen nauwelijks aan bod. De federaties gingen in eerdere standpunten dieper op wenselijke en haalbare doelstellingen van een gelijke onderwijsrechten, kansen en uitkomsten beleid. de federaties hebben vragen bij de bemerking: ‘Een systeem dat gebaseerd is op slechts 1 criterium van rangordening wordt als te beperkend gezien.’ Wat bedoelt men met ‘te beperkend’? Hoe motiveert men een dergelijke stelling?
2. De resultaten van een evaluatie en/of de ervaringen van het Gentse experiment
De resultaten van het Gentse experiment tijdens het huidige schooljaar lijken ons onontbeerlijk voor de invulling van het Antwerpse experiment. Het ‘Centraal aanmeldingsregister’ (CAR-systeem) in Gent draait al een jaar op volle toeren, men deed heel wat ervaring op. De eerste ervaringen en verbeterpunten uit het Gentse experiment zijn belangrijk. Het is de vraag of er hiermee voldoende rekening werd gehouden in het Antwerpse experiment. We hopen dat het LOP- Antwerpen de conclusies uit Gent zal meenemen in de verdere praktische uitwerking van haar experiment.
3. Gebruik van de criteria van rangschikking bij aanmelding
Het criterium ‘afstand tot de woonplaats’ is voor de federaties een objectiever, bruikbaarder en eerlijker criterium dan het criterium ‘chronologie van aanmelden’.
- Ouders die niet in het bezit zijn van een computer en/of internetverbinding en/of ondersteuning nodig hebben bij het elektronisch aanmelden, worden duidelijk benadeeld met het criterium ‘chronologie van aanmelden’.
- Wij zijn bezorgd dat het criterium ‘chronologie van aanmelden‘ bij de aanmelding het risico met zich mee brengt dat iedereen op hetzelfde moment inlogt of telefoneert. We vrezen dat dit criterium hetzelfde discriminerende effect als vroeger in stand houdt, en het fysieke kampeerprobleem alleen maar vervangt door een elektronische en/of telefonische kampeerellende.
- Het hanteren van één criterium nl ‘afstand tot de woonplaats’ heeft als voordeel dat alle ouders tijdens eenzelfde aanmeldingsperiode de tijd krijgen om zich vooraf aan te melden, zonder dat ze zich massaal op het elektronisch systeem moeten gooien en de kans lopen dat het systeem geblokkeerd raakt. Het criterium ‘afstand tot de woonplaats’ biedt transparantie naar alle ouders toe. ‘Afstand tot de woonplaats’ is immers meetbaar en controleerbaar. Een belcentrale zoals in Leuven impliceert dat mensen enerzijds over voldoende belkrediet moeten beschikken en anderzijds ook nog voldoende mondig moeten zijn
- Geen enkel systeem is perfect. Ook een inlogsysteem via internet niet. Het is evenwel een grote stap vooruit in het inschrijvingsrecht. Het maakt de inschrijvingen zichtbaar, evalueerbaar en controleerbaar. Het biedt zekerheid aan de ouders dat hun kind effectief ingeschreven is. Op die manier kunnen dubbele inschrijvingen vermeden worden. Als je daarenboven de mogelijkheden biedt om dit kosteloos te doen en/of de nodige ondersteuning geeft, dan bereik je - met veel meer kans op succes - alle doelgroepen.
Kortom: De federaties zijn van oordeel dat het hanteren van één criterium nl. ‘afstand tot de woonplaats’ een relevant criterium is en dat het criterium ‘chronologie bij aanmelding’ van de voorrangsgroepen niet alleen irrelevant is, maar ook nefaste effecten kan hebben.
4. Het hanteren van percentages
Het vrij hanteren van percentages door de scholen bij de ‘afstand tot de woonplaats’ is voor de federaties geen optie. (Scholen bepalen vooraf zelf hoeveel plaatsen ze toekennen op basis van ‘afstand tot de woonplaats’. Dat aantal kan tot 100% gaan, met een minimum van 30% of als we het omgekeerd formuleren ‘scholen hebben de vrije keuze om 30% niet te reserveren voor het criterium ‘afstand tot de woonplaats’,
Waarom hanteren scholen percentages tijdens de aanmeldingsperiode die de reguliere inschrijvingen voorafgaat, als scholen de mogelijkheid hebben te beschikken om een inschrijvingsperiode GOK/uitgom?
Maakt dit compromis het systeem niet onnodig complex en ondoorzichtig voor de ouders? Wat zijn de achterliggende bedoelingen? Wordt het niet de hoogste tijd om rechtuit te zeggen waarom men al dan niet met percentages werkt? De federaties zijn de negatieve impact niet vergeten van het gebruik van bovengrenzen en ondergrenzen – (die we toen ‘number games’ noemden) in de zgn. non-discriminatie overeenkomsten, die in de jaren 1993-1994 in verschillende Vlaamse steden werden afgesloten.
Uiteraard is het in Antwerpen voorgestelde compromis nog altijd beter dan de huidige situatie met wachtrijen en kampeertoestanden,
‘Het schaars aantal plaatsen moet zo eerlijk mogelijk verdeeld worden’ heet het. Moet er niet dringend voorrang verleend worden aan die groepen in onze samenleving die daar het meeste nood aan hebben?
We hopen dat alle Antwerpse scholen volgend schooljaar de juiste en noodzakelijke informatie aan het LOP ( zie het Volle Richtingen Instrument – VRINT) en de Studiewijzer doorgeven en dat iedereen maximaal en correct geïnformeerd wordt.
De federaties waarderen al diegenen in Gent en Antwerpen die gewerkt hebben aan een knap en controleerbaar Centraal aanmeldingsregister, dat een belangrijke bijdrage levert aan een correct inschrijvingsbeleid.
De federaties hopen dat het vaak subtiele boycotten van een correct inschrijvingssysteem binnenkort tot het verleden zal behoren en dat er meer tijd en ruimte vrijkomt om te werken aan andere, even belangrijke, doelstellingen van het gelijke onderwijskansendecreet.
Vanuit welke visie wil men in het onderwijs in de toekomst werken: één die draait rond angst of één die draait rond gelijke kansen?
|