Minderhedenforum logo
RSS        home        contact          zoek       

web_broodkruimelU bent hier: beleid > media > verslag interculturele humor op tv
 

Gevoel(igheid) voor humor op tv

Verslag seminarie en debat "wij/zij, clichés voorbij … lach je een breuk" over interculturele humor op televisie

08/01/2009 - 2007 was een goed jaar voor de interculturele televisie in Vlaanderen. Helaas ging 2008 niet op dat elan verder. Er was Rwina, de eerste interculturele en humoristische sketchshow van de VRT, en daarna niets meer. Op buitenlandse zenders bestaat grappige televisie over interculturaliteit nochtans al langer en wordt het aanbod regelmatig ververst. Het Minderhedenforum onderzocht in een seminarie en een debat hoe dit komt en hoe we ook Vlaamse zenders zo ver kunnen krijgen.
 

“Waarom heeft de BBC geen Aziatische comedy”? Die vraag stelde producer en gewezen Head of Comedy van de BBC, Jon Plowman, zich al midden jaren ’90. Wat begon als het scouten van talent in comedy clubs, eindigde vervolgens als een trendsettende, hilarische en bejubelde interculturele sketchshow: Goodness Gracious Me.


De reeks was in 1998 eerst te zien op BBC 2 maar verhuisde wegens groot succes al snel naar BBC1. Eén van de sketches groeide uit tot een klassieker en prijkt in een recente poll naar de beste Britse comedysketches aller tijden op de zesde plaats. De sketch, Going for an English, parodieert Britten die respectloos een Indisch restaurant bezoeken door gevat de rollen om te keren. In dit geval zijn het Indiërs die zich boertig gedragen in een Brits restaurant.

Goede comedy houdt de samenleving dus een spiegel voor. En dat mag gerust een beetje pijn doen, vindt ook Plowman. Maar hij benadrukt dat het wel grappig moet zijn: “De eerste bekommernis van comedy is niet de politieke boodschap”. Was hij dan niet bang om iemand te beledigen? Volgens de producer werkt Goodness Gracious Me net zo goed omdat het productieteam zich die vraag niet gesteld heeft: “Humor gaat over verrassing, maar ook over herkenning. Iedereen kan zich in de grappen van Goodness Gracious Me vinden, omdat de context universeel is. Eigenlijk gaan de grappen over mankind, zeg maar de condition humaine. Interculturaliteit is slechts een kapstok”.

Plowman adviseert televisiemakers bovendien te zorgen voor input van etnisch-culturele minderheden. De schrijvers en de cast van Goodness Gracious Me waren overwegend mensen met Aziatische roots. “Anders ben je bevoogdend bezig”.

Ook Giselinde Kuipers, antropologe aan de Universiteit van Amsterdam, wijst er op dat etnisch-culturele minderheden zich het best voelen wanneer ze moppen maken over zichzelf. Dit wijst volgens haar op zelfzekerheid en geslaagde integratie. Gevoeliger liggen groepen met een hogere sociale positie die moppen maken over groepen die een sport lager staan. Dan worden grappen al snel pijnlijk. Grappen ‘naar omhoog’ kunnen dan weer wel. Het zijn enkele vuistregels voor het maken van geslaagde etnische humor op televisie.

Toch is zelfspot niet zonder gevaar, aldus Kuipers: “Je stelt je kwetsbaar op en stelt je zo open voor grappen van een ander over jou.” En wat als men zich door een grap beledigd voelt? De antropologe wijst er op dat onze samenleving het maar matig tolereert wanneer men ergens niet om kan lachen. “Je wordt dan snel in de hoek van de spelbreker geduwd. Of erger nog, je zou dan geen gevoel voor humor hebben”, stelt Kuipers. “Het is een hele uitdaging om elegant te reageren op een grap die je als beledigend ervaart.”

Dat humor de multiculturele samenleving kan redden, is een brug te ver voor Kuipers, maar ze signaleert wel dat sommige programma’s bekeken worden door verschillende groepen die volgens marketeers onmogelijk samen te bedienen zijn. “Bridging” noemt Kuipers het. Bruggen bouwen dus. Daarin scoort Rayman is laat (NPS, Nederland) bijvoorbeeld hoog. Cabaretier Jörgen Rayman kruipt er in de huid van typetjes van diverse origine, leeftijd, geslacht en beroep. Wie eigenlijk om wie lacht, is daardoor niet altijd duidelijk. De grappen gaan in alle richtingen. Dat niemand zich beledigd hoeft te voelen, zorgt bovendien voor ontlading. En ja, ook 'autochtonen' Nederlanders houden van Jörgen Rayman.

Uitgerekend die gelaagdheid, en de mogelijkheid om bruggen te slaan, verklaart ook het succes van Goodness Gracious Me. Jon Plowman illustreert met een grap over de Kapurs, “een Aziatische familie die meer middle-class tracht te zijn dan de middenklasse zelf”. Ook hier is het niet eveident wie nu precies wie een spiegel voorhoudt.

Humor steekt altijd een grens over. Waar die grens juist ligt, is zelden duidelijk. Een beproefde tactiek om ver van de grens te blijven, is er net heel ver over te gaan. Het resultaat is dan meestal zo stereotiep en overtrokken dat niemand zich beledigd hoeft te voelen. Dit verklaart misschien het succes van Yallahrup. Volgens de producer, Peter Gren Larsen, kan humor immers niet zonder stereotypen. Yallahrup vertelt het verhaal van Ali en Hassan, twee antihelden die in een fictieve Deense voorstad worstelen met de puberteit en met integratie. De personages worden geen gestalte gegeven door acteurs van vlees en bloed maar doorl poppen. Hoewel de Deense openbare omroep de serie maakt voor volwassenen, viel ze vooral in de smaak bij jongeren van diverse origine. Die ontdekten de serie online, waar sommige episodes meer dan 100.000 hits haalden. Niettemin oogstte de serie heel wat kritiek. Niet van moslims die zogezegd geen gevoel voor humor hebben. Wel van Deense leerkrachten die het gebruik van 'slang' in de serie hekelden.

“Muslims all over the world are known for their sense of humour”", zegt Amaar, een personage uit de Canadese sitcom Little Mosque on the Prairie. Little Mosque is de eerste sitcom ooit gemaakt die draait rond moslims. Het idee kwam van Zarqa Nawaz, een moslima met Brits-Pakistaanse roots die in Canada een opleiding volgde tot journalist en filmmaker: “Ik ken het leven in de moskee heel goed en ik wist dat er veel inspiratie te rapen viel voor een sitcom”.

De grappen in Little Mosque zijn geen billenkletsers maar typische sitcomhumor, vol situationele grappen dus. Nawaz past eveneens voor een politieke boodschap: “Het moet in eerste instantie grappig zijn.” Toch is 9/11 soms niet ver weg. Neem nu de openingscène van de reeks, waarin Amaar, een jonge advocaat uit Toronto, in de rij staat aan de incheckbalie van een luchthaven. Hij voert er een mobiel telefoongesprek met zijn moeder. Met zinnen als “Als vader denkt dat het zelfmoord is, dan zij het maar zo.” en “Dit is Allah’s wil voor mij” tracht hij zijn moeder te kalmeren. Die is namelijk verbolgen over zijn keuze om de advocatuur in te ruilen voor een job als imam in een provinciestadje. Uiteraard krijgen zijn uitspraken in de oren van de andere wachtenden een heel andere betekenis en wordt hij prompt uit de rij geplukt door de politie.

Ook hier zijn de relaties tussen moslims en niet-moslims en tussen moslims onderling, slechts aanleiding voor de grappen. Nawaz deelt de visie van Plowman: “Het gaat over mankind." Toch besteedde zij opmerkelijk veel zorg aan het uitwerken van de islamitische personages: “Islamitische personages zijn dikwijls van bordkarton. Ik wilde meerdere dimensies voor mijn karakters.” In de eerste, 8-delige reeks leer je vooral de islamitische personages kennen. Door het succes bestelde CBC, de Canadese openbare omroep, een tweede reeks van 20 afleveringen. Hierin besteedt men meer aandacht aan de niet-islamistische karakters.

Goodness Gracious Me, Little Mosque en Yallahrup zijn geen nicheprogramma’s. Stuk voor stuk bereiken ze een breed publiek, dankzij de programmatie in primetime op een generalistische zender van een openbare omroep. Jon Plowman geeft toe dat het succes destijds ook hem heeft verrast. “Aanvankelijk dachten we aan een show voor de radio. We programmeerden ’s avonds laat, op een moment dat je ook jazzprogramma’s uitzendt. Maar het werd al spoedig een hit en dat niet alleen bij Aziatische Britten. Uiteindelijk belandde het programma in primetime op BBC 1.” Later groeide ook de spin-off, The Kumars at Number 42, uit tot een succes. In die satirische praatshow steekt een fictieve Brits-Indische familie de draak met haar bezoekers, stuk voor stuk prominente Britten.

Little Mosque schreef zelfs kijkcijfergeschiedenis. De serie was al een hype nog voor iemand één aflevering had gezien. CBC zag zich genoodzaakt de serie een half jaar eerder uit te zenden dan gepland. De pilootaflevering haalde prompt 2,1 miljoen kijkers, het beste cijfer in 15 jaar. Momenteel loopt de derde reeks, die iedere week nog steeds vlot één miljoen kijkers boeit. Zarqa Nawaz voegt hieraan toe dat op een gegeven moment imams de gelovigen zelfs opriepen om de serie te bekijken’.

Het valt op dat deze successen steeds een verhaal waren van de openbare omroep. Is het dan louter hun taak om diversiteit te brengen? Katleen De Ridder van het Minderhedenforum stelt vast dat omroepen die een beleid voeren rond diversiteit ook de beste resultaten boeken. “Kijk naar NPS in Nederland. Die omroep kreeg eind jaren ’90 de opdracht van de Nederlandse overheid om een vijfde van haar zendtijd te besteden aan interculturele televisie. Tegenstanders noemden dit kwalijke overheidsinmenging. Maar de resultaten zijn er wel. Vandaag is NPS uniek in Europa, met een rits gesmaakte programma’s als Rayman is laat, Dunya en Desie, Meiden van Halal en Premtime.” De Ridder vindt bijgevolg dat men zich niet moet blindstaren op het middel maar vooral naar de resultaten moet kijken: “Noem deze noodzakelijke inhaalbeweging desnoods een politiek van het minste kwaad!”

Sam De Graeve, eindredacteur van De Slimste Mens bij Woestijnvis, en Jan Verheyen, bekend van onder meer de film Los, spreken eensgezind: “Het mag geen dwang worden. We houden niet van dingen die moeten.” De Ridder houdt echter vol: “Het is geen sociale kwestie. Over interculturaliteit vallen grappige verhalen te vertellen op televisie. Als het elders gebeurt, waarom niet in Vlaanderen?”

Het tekort aan gekleurde televisiemakers vormt nog steeds een drempel. Komiek Jamal Boukriss vermoedt dat een artistieke carrière veel allochtone jongeren afschrikt. “Het is geen gemakkelijke keuze. Je moet soms offers brengen. Zelf heb ik jaren in cafés gewerkt en soms zwarte sneeuw gezien”. Een extra drempel is het schrale aanbod voor gekleurde acteurs. Actrice Souad Boukhatem, winnares van de KifKif Award 2008 in de categorie Spoken Word bevestigt: “Ik heb geen zin om de cliché-allochtoon te spelen”.

De VRT maakte volgens De Ridder dit jaar met Rwina een statement: “De reeks stond in primetime op één! Jammer genoeg sabelde de pers Rwina neer. Het was zeker een goed begin van interculturele humor op tv. Veel allochtone jongeren genoten trouwens wel van Rwina: het ging voor één keer over hen!”

Het ziet er niet naar uit dat de VRT een vervolg breidt aan de sketchshow. Jammer. Maar niet alle heil hoeft van de openbare omroep te komen. Ook productiehuizen kunnen een rol spelen. Sam De Graeve vertelt bijvoorbeeld: “Onlangs kwam een man naar me toe met een idee dat sterk was in al zijn eenvoud: het verhaal van een Belg met Turkse achtergrond die het tot premier schopt.” Op de vraag hoe het momenteel staat met dit project volgt een teleurstellend antwoord: “Niets, de man is nu niet aan het schrijven maar geld aan het zoeken”. Katleen De Ridder betreurt dit. Ze zou het jammer vinden mocht dit project verloren gaan! Want pas wanneer productiehuizen hun schouders onder dergelijke ideeën zetten, kan interculturele tv in Vlaanderen volledig tot bloei komen.