|
Dik 60 personeelsleden en vrijwilligers van verenigingen namen in Brussel, Antwerpen, Genk en Gent deel aan de ontmoetingsdagen discriminatie. Als opwarmertje vertelden ze op welke manier zij professioneel en privé in contact kwamen met discriminatie en racisme. Allerminst om vrolijk van te worden, deze getuigenissen over discriminatie. Uit de getuigenissen bleek toch duidelijk dat discriminatie een probleem is: veel verhalen over de woningmarkt en de horeca natuurlijk. Maar ook opvallend veel over de zoektocht naar werk en over het onderwijs. De rode draad doorheen de schrijnende verhalen? Mensen die zich ongelijk behandeld voelen omwille van hun afkomst of religie stappen met hun klacht zelden of nooit naar een officiële instantie. Daar zijn tal van redenen voor: omdat ze geen bewijzen hebben, omdat ze hun rechten niet kennen, omdat ze niet zien wat ze te winnen hebben bij een klacht of omdat ze slechte ervaringen hebben gehad met ‘de’ overheid.
De regel van 4
Omdat het ook de taak kan zijn van verenigingen om hier verandering in te brengen, behandelde Dajo De Prins van het Universitair Centrum voor Discriminatie- en Diversiteitsrecht van de Universiteit van Antwerpen de basisbegrippen van het antidiscriminatierecht (ppt) aan de hand van enkele toepassingsgevallen of cases (ppt). Aan de hand van deze rechtszaken (amper een handvol op jaarbasis) leerden de deelnemers een vuistregel om het onderscheid maken tussen ‘aangevoelde’ discriminatie en juridische discriminatie. Om te oordelen of een melding bruikbaar zou zijn voor een rechtbank, moet je jezelf steeds 4 basisvragen stellen:
- Is deze ene persoon ongunstige behandeld ten opzichte van anderen?
- Houdt het gemaakte onderscheid rechtstreeks of onrechtstreeks verband met een ‘beschermd kernmerk’ (zie verder)?
- Valt het onderscheid binnen de ‘werkingssfeer’ (zie verder) van de antidiscriminatiewetgeving?
- Is het onderscheid legitiem en proportioneel (zie verder)?
Om die vragen te beantwoorden hoef je slechts te kijken naar 2 basisartikelen in het Vlaamse ‘gelijkebehandelingsdecreet, zeg maar de Vlaamse versie van de federale antidiscriminatiewetten.
- artikel 16, § 3 somt de ‘beschermde kenmerken’ uit vraag 2 op, waaronder afkomst, zogenaamd ras en religie
- artikel 20 somt de ‘toepassingsgebieden’ op, waaronder huisvesting en werk, onderwijs en allerlei ‘diensten’ zoals een deelnemen aan een fuif of op een bus stappen
Basisvraag 4, de rechtvaardiging, is de belangrijkste: in de meeste gevallen speelt de discussie zich af rond de vraag of het gemaakte onderscheid gerechtvaardigd is door een legitiem doel. Als dat zo is, kan je altijd vragen dat de rechter een minder verregaande oplossing voorstelt om dat doel te bereiken.
Praktijktesten
Volgens Dajo de Prins is het belangrijk dat verenigingen een activistische rol spelen en zich burgerlijke partij stellen in zaken van groot principieel belang. Het eerder genoemde decreet geeft verenigingen met discriminatiebestrijding in hun statuten de bevoegdheid om naar de rechtbank te stappen (Artikel 41, §1). De wetgever heeft dat zo voorzien omdat in het buitenland is gebleken dat discriminatiewetgeving pas tot leven komt als belangenorganisaties gaan procederen.
Volgens Dajo De Prins moeten zelforganisaties hun geld en energie niet stoppen in het vervolgen racistische uitingen. “Het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding (CGKR) doet dat systematisch en met succes.” Bij discriminerend gedrag stelt het CGKR zich enkel burgerlijke partij als de bewijzen zwart op wit op papier staan, zoals in de zaak Eurolock en de zaak Feryn (zie toepassingsgevallen van het discriminatierecht). Maar in de overgrote meerderheid van meldingen over discriminerend gedrag is er enkel een vermoeden van discriminatie.
Zelforganisaties kunnen dat vermoeden staven door middel van praktijktesten, vergelijkende tests met personen die identieke kenmerken hebben, behalve dan hun huidskleur. In die zin kunnen verenigingen verder gaan dan het CGKR. Bovendien zijn ze als onderdeel van het middenveld vrij om te procederen rond hete maatschappelijke hangijzers zoals de hoofddoek.
Praktijktesten organiseren is moeilijker dan het lijkt. Rechters aanvaarden audiovisueel materiaal (meestal) niet en met een deurwaarder werken, is ook geen goed idee. Voor een juridisch aanvaardbare praktijktest heb je toch 25 neutrale testpersonen nodig die je enkele weken lang een opleiding geeft. Bovendien neem je best een topadvocaat onder de arm om de rechters te overtuigen, want die zijn niet vertrouwd met de jonge discriminatiewetgeving. Over de kostprijs daarvan lees je meer hieronder.
20.000 euro
Zelforganisaties in Vlaanderen hebben het moeilijk om hun rol als levenwekker van de wetgeving te vervullen. De vereniging Kifkif bracht ooit een handleiding uit voor het organiseren van praktijktesten. Maar tot op vandaag heeft noch Kifkif, noch een andere vereniging ooit een echte praktijktest uitgevoerd. Toch is er hoop: 2 zelforganisaties in Vlaanderen spanden ooit met succes antidiscriminatiezaken aan. Divers & Actief uit Gent procedeerde tegen de federale regering omwille van het uitblijven van een wettelijke regeling rond de praktijktests en Boeh! uit Antwerpen liet het hoofddoekenverbod in het gemeenschaponderwijs (voorlopig) vernietigen. Boeh! verzamelde daarvoor zelf geld, en ook Divers & Actief deed het met eigen middelen.
Verenigingen die hun voorbeeld willen volgen, zullen geld opzij moeten zetten, zei De Prins. De discriminatiewetten zijn nieuw en onvertrouwd voor Vlaamse rechters. (“Het lukt enkel als je een topadvocaat neemt. Mijn raad is: zet jaarlijks een potje van 20.000 € opzij voor een zaak van groot principieel belang.”). Ondanks alle financiële en praktische problemen, is er een groot en braakliggend terrein voor juridische actie. “Ik ben ervan overtuigd dat vandaag in Vlaanderen heel wat officiële regels worden toegepast die de toets van de discriminatiewetgeving voor een rechtbank niet zouden doorstaan,” meent De Prins. Maar het is een werk van lange adem.
Melding, bemiddeling en onderhandeling
Spraakmakende rechtszaken als Feryn en Eurolock hebben een sterk sensibiliserend effect: ze vestigen gelijke behandeling als norm in de hoofden en harten van de modale burger. Naar de rechtbank stappen is daarom cruciaal voor de preventie van discriminatie. Maar voor slachtoffers zelf is procederen vaak niet de beste oplossing. De meeste mensen willen op een snelle en goedkope manier toegang tot de job, de opleiding of het huis dat hen geweigerd wordt. Een rechtsgang is in de praktijk te duur en te lang en de uitkomst is onzeker. Vandaar dat het CGKR in Brussel, de 13 (voorlopig 12) meldpunten discriminatie in de centrumsteden, de vakbonden en andere officiële instellingen heel veel aandacht besteden aan bemiddeling en onderhandeling.
Voor dat onderdeel van de vorming, schetsten Katia De Bock (Gelijke Kansen in Vlaanderen), Nele Van De Kerckhof (meldpunt Antwerpen), Ann Belmans (Meldpunt Turnhout), Maartje Van Haverbeke (meldpunt Mechelen), Nico Vandeputte en Els Dewancker (meldpunt Gent), Tanja Croci (meldpunt Genk) en Elien Vandael (meldpunt Hasselt) de werking van de meldpunten discriminatie.
Wat doen de meldpunten wel en niet?
- De Vlaamse meldpunten discriminatie registreren meldingen en bemiddelen. Bemiddeling zorgt vaak voor een oplossing.
- Als bemiddelen geen zin heeft en je wenst juridische stappen, word je doorverwezen naar het CGKR. Het CGKR kan zich burgerlijke partij stellen in rechtszaken. De meldpunten kunnen dat niet.
- Voor discriminatie op de werkvloer garanderen de meldpunten anonimiteit ten opzichte van je werkgever. Ze doen een beroep op de vakbonden en de sociale inspectie De vakbonden gaan het gesprek aan met je werkgever en kunnen zich ook burgerlijke partij stellen.. De sociale inspectie kan pv’s opstellen en mensen verhoren.
- Het CGKR onderhandelt aan de kant van het slachtoffer. De meldpunten bemiddelen als neutrale derde die geen partij kiest.
Waar kan je terecht?
- De meldpunten discriminatie zitten in de 13 centrumsteden maar bedienen ook de gebieden rond en tussen de steden. Op de website van Gelijke Kansen in Vlaanderen vind je de adressen en de werkingsgebieden van de meldpunten.
- In Brussel en Oostende is nog geen meldpunt opgestart. In Brussel kan je wel bij het CGKR terecht.
- Je kan ook rechtsreeks melden aan de sociale inspectie
Wie kan er melding doen?
- Slachtoffers van discriminatie (individuen dus)
- Getuigen van discriminatie, bijvoorbeeld je vereniging (!), kunnen ook melding maken van een discriminatie. De naam van de betrokkene kan anoniem blijven.
- De meldpunten doen niets tegen de zin van de melder in
- Je naam wordt niet vrijgegeven als je dat niet wil.
Waarom melding doen?
- Om de overheid te laten weten dat discriminatie wel degelijk bestaat
- meldingen registreren is belangrijk omdat ministers er rekening mee houden in hun beleid
- Om een snelle oplossing te vinden voor je concreet probleem
- meldpuntmedewerkers treden op als neutrale derde tussen de partijen. Praten leidt vaak tot een oplossing voor het probleem.
- Om je rechten desnoods via de rechtbank af te dwingen
- meldpuntmedewerkers verwijzen je door naar het CGKR voor de juridische weg
- meldpuntmedewerkers verwijzen je door naar de vakbond en de sociale inspectie
Wat doen de meldpunten nog?
- Tot dusver ontvingen de meldpunten een enkele honderden meldingen, de meeste in Antwerpen en Gent. Werk en onderwijs zijn de vaakst gehoorde klachten.
- Meldpunten geven ook infosessies om te sensibiliseren. Contacteer de meldpuntmedewerkers voor meer info.
Maarten Messiaen, beleidsmedewerker tewerkstelling Minderhedenforum
Meer weten?
|