|
De workshop werd op gang geschoten door Marleen Heysse van het Vlaams Minderheden-centrum (VMC). Zij schetste ter inleiding op het feitelijke debat de historiek van de minderheden- of diversiteitssector. Hierbij had ze o.a. aandacht voor de erkenning en positionering van de sector na 'zwarte zondag', die helaas nog te weinig sturing en inhoudelijke visie opleverde. Een betere structurering sinds 1996 bracht daar echter verandering in. In de laatste jaren van de twintigste eeuw werden ook de instrumenten voor een integratiebeleid op poten gezet: integratiediensten en -centra, het VMC en daarnaast het Minderhedenforum. In het nieuwe millennium werd het minderhedenbeleid herdoopt in een diversiteitsbeleid met als kernpunten de integratie van iedereen, individuele verantwoordelijkheid en diversiteit van de samenleving. Volgens Marleen Heysse houdt de toekomst van de sector in dat men diversiteit moet managen. Dit houdt 4 functies in:
- Individuele dienstverlening voor mensen met een migratiegeschiedenis.
- Implementatie van instrumenten, competenties in de mainstream van de samenleving.
- Organisatie van inspraak, advisering bevorderen van participatie en gemeenschapsvorming.
- Expertiseopbouw en stimulering van de implementatie van instrumenten, competenties in de mainstream van de samenleving.
Vervolgens werd de eerste van drie grote stellingen aangesneden, die het debat zouden voeden. Björn Vanheste, raadgever van Marino Keulen, bepleitte dat er nood is aan één diversiteitsbeleid, op vlak van gender, seksuele voorkeur, toegankelijkheid én etnisch-culturele diversiteit. Door vanuit verschil te kijken, zien we immers wat ons bindt, zei hij. Verschillen leiden bovendien tot ongelijke kansen en discriminatie, zodat het oprichten van aparte bureaus voor elke subgroep contraproductief werkt. De bevordering van positieve waardering en de nood aan evolutie in de werkwijze waren andere kernpunten in zijn betoog. Francy Van Der Wildt, voorzitter van de Nederlandstalige Vrouwenraad, gaf tegengewicht aan de stelling vanuit haar expertise in de vrouwenbeweging. Is het bundelen van alle structuren wel een goed idee, opperde ze. Ze vroeg zich af of dit niet tot meer concurrentie zal leiden en een foute hiërarchie in de discriminatiegronden. Ze waarschuwde ook voor diversiteit als containerbegrip onder doelstelling en zonder kracht. Ze gaf daarentegen wel aan dat er nood is aan een krachtig gelijke-kansenbeleid voor alle groepen.
Op basis van de woorden van beide sprekers brachten de deelnemers vervolgens een stem voor of tegen de centrale stelling uit. De meerderheid bleek tegen één diversiteitsbeleid. Het pro-kamp in het publiek verduidelijkte dat diversiteit als meer dan etnisch-culturele minderheden gezien moet worden en dat men best vanuit een gemeenschappelijk visie kan vertrekken. De tegenstemmers wierpen op dat dit goed klinkt in theorie maar in de praktijk niet evident is. Onbesliste deelnemers mochten ook hun zegje doen: zij vreesden het risico dat verschillende minderheden elkaar zouden uitsluiten bij één beleid en vonden men beter van de stelling zou uitgaan dat sommige groepen meer aandacht nodig hebben. Er werd ook benadrukt dat één diversiteitsbeleid niét mag betekenen dat er één diversiteitssector is. Specifieke organisaties moeten blijven bestaan. De geherformuleerde stelling 'We willen één gelijkekansenbeleid, met specifieke accenten naar elke groep en zonder eengemaakte sector' haalde prompt een grote meerderheid pro-stemmers.
Dat er nood is aan basiswerk met etnisch-culturele minderheden was de tweede grote stelling, ditmaal ingeleid door Jos Jacobs van ODiCe. Hij definieerde basiswerk als rechtstreeks participatief werk en merkte een evolutie op van werk op de eerste lijn naar werk op de tweede of derde lijn. Volgens hem was de taak van de integratiesector het beleid en de voorzieningen te ondersteunen. Als men hierbij niet rechtstreeks met minderheden werkt, verlies je volgens Jos Jacobs belangrijke deskundigheid. Bjorn Vanheste repliceerde dat hij met de vraag zit wie dit werk dan moet doen en met welke middelen. Hij vond eveneens dat de integratiesector basiswerk moet doen om tweedelijnswerk deskundig te kunnen invullen. Het probleem situeert zich echter bij de beschikbare middelen. Daarom wenste hij dat basiswerk een multiplicatoreffect zou hebben op voorzieningen.
Een deelneemster benadrukte vervolgens het belang van veldwerk, terwijl een ander publiekslid stelde dat de uitdaging voor de integratiesector vooral ligt in het bundelen van de expertise. Een sceptische stem verklaarde dat er nu al veel gevraagd wordt van de verenigingen en dat er dus dringend nood is aan meer middelen. Panellid Francy Van Der Wildt belichtte hierna het tekort aan empowerment bij etnisch-culturele minderheden en structurele problemen bij de verenigingen, waardoor de basiswerking zeker meer middelen verdient.
Daarmee was de discussie al begonnen over de laatste stelling van de workshop: etnisch-culturele verenigingen moeten extra middelen krijgen om de emancipatie van minderheden van onderuit te stimuleren. Fernando Marzo vertrok vanuit zijn lange ervaring met basiswerk in Limburg. Hij verklaarde dat zijn vereniging veel expertise heeft ontwikkeld over bruggenbouwen, netwerkvorming, coördinatiewerk, conflictbeheersing en beleidsadvisering. Hij bepleitte ook niet louter als sociaal-culturele vereniging gesubsidieerd te worden omdat het takenpakket veel ruimer is. Een stel uit het publiek voegde hieraan toe dat subsidies nu in bepaalde domeinen gedwongen worden. Bjorn Vanheste bleek een voorstander van meer middelen, zolang die gaan naar verenigingen die meer dan één etnisch-culturele groep bereiken. Waarna prompt hierover een discussie losbarstte.
Een deelnemer verduidelijkte dat alle federaties van migrantenverenigingen vandaag al gemengd zijn. Iemand anders waarschuwde dat de opvolging en juiste aanwending van de middelen belangrijk is. Jos Jacobs was het hiermee eens. Andere bemerkingen die deelnemers hadden bij de stelling waren hoe men etnisch-culturele minderheden kan afbakenen en dat de overheid de daad bij het woord moet voegen als het participatie van minderheden vraagt. Uiteindelijk was een meerderheid het eens met de stelling.
Jos Jacobs had - ondanks het feit dat hij het volledig met de laatste stelling eens was - drie opmerkingen: in sommige regio's komt het allochtoon verenigingsleven moeilijk tot bloei, er is een onevenwicht in de verdeling van de middelen en er is meer nodig dan alleen maar extra middelen om succesvol te zijn. Fernando Marzo van het Minderhedenforum besloot het debat door te stellen dat interculturaliseren een algemene trend is. Hij waarschuwde ervoor dat intercultureel werken aan de basis niet altijd lukt, maar dat het Minderhedenforum een uitstekend voorbeeld is van het succes dat intercultureel samenwerken kan hebben.
|